PATATAFYSICA, PATART EN
DE PATATAUTOLOGIE
over zelfvervullers en
zelfvervuilers
Door: Leo (Lipso) Cox,
waarnemend hoofd sectie Patatafysica
Sinds de introductie van het
neologisme patatautologie
door
de L’arrhetist
, Marcel Duchamp,
blijft de vraag dringen: Welke plaats vermag de patatautologie te bezetten in
patatafysisch perspectief?
Ik zal dit feit
a]
hier gaan plegen en
b]
uitwisselen in de uitwerkingssfeer.
Volgens de regels der stelkunst, kunnen we uit de tautologie r = r de
volgende gelijkheid afleiden:
I – Merdre
/ merde = Proep / poep = Rrose / eros =
patArt / Patat
Verder geldt:
II – Arrhe
/ Art = Merdre / merde
En volgens I:
III – Merdre
/ merde = patArt / Patat
Substitutie van II in III geeft:
IV – Arrhe / Art = patArt / Patat
Stelregel:
V – rhe /
t = r
Ergo:
he = t
he = t,
wat kunnen we hier van brouwen?
Gervais maakt er van: ach-e-ter, resp. ach-e-té, kopen resp. gekocht.
Maar wie koopt wat, je ne sais quoi?
Bovendien, hij vergeet voor het gemak maar de =.
Beter is volgens noot 4: he = t [+Arr] geeft: Arrhe = tArr , met t = J
gespiegeld geeft:
Arrhe =
Jarr……
PATATAFYSICA
EN TAUTOLOGIE
Een tautologie is een propositie p die in alle mogelijke werelden waar
is. Dat is op basis van haar logische structuur. Een tautologie is triviaal waar en bevat dan ook geen nieuwe informatie. Ze is a priori waar, los van enige empirische
ondersteuning. Als iemand zegt: “Alle vrijgezellen zijn ongetrouwd”, dan hoeven
we geen empirisch onderzoek te doen naar alle vrijgezellen, om te bepalen of ze
wél dan niet getrouwd zijn. De waarheid
van deze bewering volgt uit de analyse van de gebruikte begrippen, uit de
definitie van “vrijgezel”; ze is analytisch waar. Om met Kant te spreken: Bij
een analytisch oordeel is het begrip van het predikaat (“ongetrouwd”) vervat in
dat van het subject (“vrijgezel”). Iemand die de juistheid van een dergelijk
oordeel betwijfelt, gebruikt de taal verkeerd of begrijpt de betekenis van de
woorden niet.
Logisch waar is: het regent of het regent niet, d.w.z., p of niet p. Deze bewering is a priori
waar; in dit geval weet ik nog steeds niet of het daadwerkelijk wel of niet regent.
Het giet zoals het giet.
Andere voorbeelden: Als p, dan p; Als p en q, dan p of q.
Het fijne van logica is dat op basis van hun formele structuur, proposities
en redeneringen waar zijn of niet. Dit doen we door afspraken te maken over de
logische operatoren die we gebruiken: niet,
of, en. Zo hoeven we ons
a)
niet bezig te houden met de inhoud van de
redenering (is jou bewering wel waar?)
En stroomt
b)
waarheid vanzelf van premisse naar conclusie, mits
de redenering geldig is.
Bekend voorbeeld van een logisch geldige redenering:
Duchamp is vrijgezel, Vrijgezellen zijn niet getrouwd, Ergo: Duchamp is
ongetrouwd.
Dat wisten we toch allang! Geen nieuws; we weten immers wat “vrijgezel”
en “getrouwd” betekenen.
Maar pas op, dat is niet het hele verhaal! Op formele gronden, dus los van de
gebruikte termen, is de stap van premissen naar conclusie logisch geldig.
Of met een pastiche op Poincaré en Duchamp: Een goede wiskundige is een
goede schaker, Een goede schaker is een kunstenaar, Ergo: Een goede wiskundige
is een kunstenaar.
Maar even valide is de volgende redenering:
Pousseypram is Quakky, Quakky is bluddlefilth, Ergo:
Pousseypram is bluddlefilth.
Zo, dat is ff schrikken. Maar wie A zegt, moet ook B zeggen. Ik bedoel,
wie tautologie zegt, zegt ook contradictie. Contradictie is de logische
tegenhanger van de tautologie. Het is een bewering die met zichzelf in
tegenspraak is, in alle mogelijke werelden onwaar. Voorbeeld: Het regent én het
regent niet. Deze bewering is absoluut onwaar, op voorhand, en ik weet nog
steeds niet of het daadwerkelijk regent of niet.
Waarom willen we geen contradicties in de logica? Omdat uit een contradictie
elke willekeurig ware, of onware uitspraak kan worden afgeleid. Bekend als het ex contradictione sequitur quod libet. Een
dergelijke willekeur moet te allen tijde worden voorkomen, want we wilden
immers dat in een redenering waarheid van boven naar beneden stroomt! Daarom hebben we in de elementaire logica de
volgende regel afgesproken, bekend als het principe
van non-contradictie:
Niet: p en niet p.
We zien onmiddellijk dat dit principe de negatie is van de tautologie p of niet p. Contradictie en tautologie
sluiten elkaar uit, althans in een tweewaardige logica, waarin een propositie
óf waar óf onwaar is (dit is het zgn tertium
non datur). Het is duidelijk: met de begrippen tautologie,
contradictie en logische (on)geldigheid is het contact met de empirische
werkelijkheid verdwenen.
Het logisch symbolisme – een kunsttaal, gebaseerd op arbitraire afspraken en
impliciete definities - is ongeschikt om betekenis, of kennis over te dragen,
ons te informeren over de stand van zaken in de buitenwereld.
Het lijkt erop dat Duchamp dit model ook van toepassing acht op de
natuurlijke taal, met zijn aristotelische subject-predikaatstruktuur. Ook hier
propageert Duchamp een nominalistische semantiek die hij ontleent aan het Wiener
Kreis positivisme en het conventionalisme van Poincaré.
Duchamp: The language and thinking in words are the
great enemies of man (…)words are the tools of “to be”. En: (…)
in the end it comes to doubt the verb “to be”.
Ik vat samen: ons denken is ingebed in een talige struktuur waarin het
zich moet uitdrukken. Maar onze taal is geen weerspiegeling van objecten met
attributen in een buitentalige werkelijkheid. Het denken wordt misleid door de
omgangstaal als het koppelwerkwoord “zijn”
begrepen wordt als een existentieclaim. Nominalisme betekent: woorden
zijn namen, geen betekenisdragers. We worden misleid bij het gebruik van
abstracte, algemene begrippen als we er van uitgaan dat ze verwijzen naar een objectief
bestaan in de dingen. Het enige dat bestaat is deze unieke ditheid; de hypostase van een onderliggende essentie, een watheid, is ongeoorloofd.
Duchamp: (…) everything is tautology, except black
coffee (…)
Hiermee is het contact van het denken met de werkelijkheid verbroken. Anything
goes!
We bevinden ons in een ontologisch vacuüm, een tautologisch plenum, een
“intratextueel” web, waarin taaltekens naar niets anders verwijzen dan naar
zichzelf.
Dit taalscepticisme leidt tot wat Duchamp bestempelt als “le nominalisme
litéral”. Binnen deze tak van sport bestaan er
geen termen die eigenschappen uitdrukken, betekenisdragers zijn, of bijdragen
tot enig begrip, laat staan kennis, van een externe wereld.
Duchamp over zijn gedicht THE: Betekenis
was het eerste wat ik moest vermijden (…) totdat de tekst zich liet lezen
zonder dat die een echo liet doorklinken van de buitenwereld.
Het taalspel ”letterlijk nominalisme” is
behept met alle problemen die een privétaal [of moeten we zelfs spreken van een
non-taal, een patataal?] aankleven, zoals
een pyrronistischobuust scepticisme of een solipsistisch
anarchisme á la Stirner. Duchamp
is echter niet van plan hierbij de gebruikelijke logische principes te
handhaven. De “playful logic” van Duchamps nominalisme is zijn strategie om te
ontsnappen aan zowel het non-contradictieprincipe als het tertium non datur.
En “tautologie” zal daarbij worden vervangen door “patatautologie”.
AUTOLOGIE EN PATATAFYSICA
1-
een
term noemen we patatautologisch [Auto] wanneer deze een eigenschap
uitdrukt die hij zelf heeft.
2-
Patatheterologisch [Hetero]
heet een term die zichzelf niet als zodanig kenmerkt.
Zo is woord auto, want een woord; kort is auto, want een kort woord en lang is hetero, want eveneens kort. Auto is niet auto, maar zwart is auto en wit hetero; “ ” daarentegen is auto.
Zichtbaar,
deelbaar, leesbaar, alle auto, maar eetbaar bijv. weer niet.
Iedereen snapt onderhand wel dat elfletterig auto is,
maar zelfetterig
aar elflettergrepig weer niet.
Resumé: de vier verstellingen:
Het
elfletterig genootschap is een zelfvervuller
De
zelfetterige vennootschap is een zelfvervuiler
Het
elftellerig genootschap is een zelfvervuller
De
felzetterige vennootschap is een verfverzuiler
Nu vragen wij ons af:
Gesteld dat een term óf auto, óf
hetero is, is heterologisch zelf hetero, dan wel auto?
Stel dat heterologisch auto is dan zou het de
eigenschap hebben die het zelf beschrijft: dus hetero zijn, in strijd met de
aanname.
Dus moet heterologisch hetero zijn, dwz niet de eigenschap hebben die het zelf
beschrijft: ergo auto zijn, opnieuw tegen de veronderstelling in.
We hebben hiermee voldaan het onder a]
genoemde feit te plegen, de zgn
paradox van de patatautologie.
Let wel, een paradox is geen
contradictie, maar zeker ook geen tautologie; het is een schijnbare
tegenspraak, een zgn. Zelfvervuiler, en als zodanig nog onderworpen aan het
principe van non-contradictie.
Duchamp was dol op paradoxen, mogelijk
als uiting van zijn taalscepsis. Immers, in een paradox wordt de taal geweld
aangedaan door te spelen met de regels van de semantiek.
In alle gevallen van zelfvervuiling
(zoals we boven ook al zagen) kunnen we met eenvoudige middelen het verstand
doen stilstaan. Een bekend voorbeeld is de leugenaarsparadox,
toegeschreven aan Epimenides [600 v. Chr.] uit Kreta:
Κρῆτες ἀεὶ ψεῦσται - Alle Kretenzers liegen.
Waar of niet waar? Als dit waar is, dan
is het een leugen, dus onwaar. Maar als het onwaar is dat hier een leugen staat,
is het waar dat alle Kretenzers liegen!
Duchamp heeft op deze paradox zijn eigen variaties;
enkele voorbeelden:
I have forced
myself to contradict myself.
En:
Every word I’m telling you now is stupid and wrong.
Of: De deur is open én niet open:
Porte,11RueLarrey
Tenslotte de vraag waar de Ready-made het antwoord op was.:
Can one make works which are not
works of ‘art’?
Lees hierbij “…
staat tot … als … staat tot …” voor:
“… / … = … / …”.
Zie mijn pHatHafysica - een batagnose
over STELREGELS:
De kunst, om een verborgene waarheid, door middel van
het stellen van aangenomen denkbeelden uit te vinden.
Sannouillet
& Peterson, p. 74 Het antwoord op
deze vraag ligt besloten in Duchamps zgn “nominalisme
pictural” [idem, p. 78]: “Dit is kunst”
is een arbitraire stipulatie van dit ding als kunst, geen wezenlijke bepaling
van DIT als KUNST. “Kunst” drukt geen attribuut uit van een drager, heeft geen
identiteit, is niet te definiëren! Zie ook De Duve
[1984]: Nominalisme Pictural.