dinsdag 16 april 2019

WAT BEZIELT DE AARDAPPEL?



VRAAG: Wat bezielt de aardappel?

AARDAPPELFILOSOFIE nu onomstotelijk bewezen!

Opperdoezer krijgt Primeur

Verstand krijgt de overhand na Aardappel-Appel 2014: Inductieprincipe niet waterdicht![1]


Patatafysische droom wordt werkelijkheid:

Deductief koken maakt Hete Bliksem logisch dwingend (en het is ook een lekkere manier om van een voorraad appels af te komen zonder meteen een appeltaart te moeten maken)

Power to the Pieper!





ANTWOORD: Een goede aardappel wil stik voor stuk naast zijn broeders gebakken zijn.[2] Wordt de aardappel echter opgediend in een of andere slappe gedaante, zeg dan Aboe!



[1] Volkskrant 2019-04-12, p 56
[2] J.W.F. Werumeus Buding – 100 Avonturen met een pollepel. De franciscaan kookt ze paaszaterdag 10 minuten en bakt ze ’s zondags in plakken of blokjes, waarna hij ze eerbiedig in de pan hakt. C. Bots klopt op zondag dan aanvullend nog ¼ l slagroom stijf.

zondag 17 maart 2019

Like the penis fits


APPENDIX: THE PENIS IS ALLREADY MADE [like the penis fits]


Like                 

the skin             fits    the sausage

the peel                    the fruit

the sleeve                  the stem

the grave                  the coffin

the hand                   the handle

the lid                       the pan


and like

art is in a fart

pus is in the soup

a nude is in the pudenda

and shame is in a shamble


so fits

a head              in      a hat

a bill                 in      a letter

the plug             in      the box

the plough         in      the field

the key             in      the lock

the cork            in      the bottle

the wash           in      the peg

the member       in      the union

determinant       in      matrix

male                         in      female

the cast             in      the mould


THE READYMADE IS ALL PENIS!

woensdag 13 februari 2019

PATATAFYSICA, PATART EN DE PATATAUTOLOGIE over zelfvervullers en zelfvervuilers Door: Leo (Lipso) Cox, waarnemend hoofd sectie Patatafysica



PATATAFYSICA, PATART EN DE PATATAUTOLOGIE

over zelfvervullers en zelfvervuilers

Door: Leo (Lipso) Cox, waarnemend hoofd sectie Patatafysica



Sinds de introductie van het neologisme patatautologie  door de L’arrhetist , Marcel Duchamp, blijft de vraag dringen: Welke plaats vermag de patatautologie te bezetten in patatafysisch perspectief?[1]

Ik zal dit feit

a] hier gaan plegen en
b] uitwisselen in de uitwerkingssfeer.



PATART[2]

Volgens de regels der stelkunst, kunnen we uit de tautologie r = r de volgende gelijkheid afleiden:[3]

I – Merdre / merde = Proep / poep = Rrose / eros  = patArt / Patat

Verder geldt:

II – Arrhe / Art = Merdre / merde[4]

En volgens I:

III – Merdre / merde =  patArt / Patat

Substitutie van II in III geeft:

IV – Arrhe / Art = patArt / Patat

Stelregel:
V – rhe / t = r

Ergo:
he = t

he = t, wat kunnen we hier van brouwen?

Gervais maakt er van: ach-e-ter, resp. ach-e-té, kopen resp. gekocht.
Maar wie koopt wat, je ne sais quoi? [5] Bovendien, hij vergeet voor het gemak maar de =.

Beter is volgens noot 4: he = t [+Arr] geeft: Arrhe = tArr , met t = J gespiegeld geeft:

Arrhe = Jarr……


PATATAFYSICA EN TAUTOLOGIE


Een tautologie is een propositie p die in alle mogelijke werelden waar is. Dat is op basis van haar logische structuur.  Een tautologie is triviaal waar en bevat  dan ook geen nieuwe informatie.  Ze is a priori waar, los van enige empirische ondersteuning. Als iemand zegt: “Alle vrijgezellen zijn ongetrouwd”, dan hoeven we geen empirisch onderzoek te doen naar alle vrijgezellen, om te bepalen of ze wél dan niet getrouwd zijn.  De waarheid van deze bewering volgt uit de analyse van de gebruikte begrippen, uit de definitie van “vrijgezel”; ze is analytisch waar. Om met Kant te spreken: Bij een analytisch oordeel is het begrip van het predikaat (“ongetrouwd”) vervat in dat van het subject (“vrijgezel”). Iemand die de juistheid van een dergelijk oordeel betwijfelt, gebruikt de taal verkeerd of begrijpt de betekenis van de woorden niet.
Logisch waar is: het regent of het regent niet, d.w.z., p of niet p. Deze bewering is a priori waar; in dit geval weet ik nog steeds niet of het daadwerkelijk wel of niet regent. Het giet zoals het giet.
Andere voorbeelden: Als p, dan p; Als p en q, dan p of q.

Het fijne van logica is dat op basis van hun formele structuur, proposities en redeneringen waar zijn of niet. Dit doen we door afspraken te maken over de logische operatoren die we gebruiken: niet, of, en.  Zo hoeven we ons
a)      niet bezig te houden met de inhoud van de redenering (is jou bewering wel waar?)
En stroomt
b)      waarheid vanzelf van premisse naar conclusie, mits de redenering geldig is.

Bekend voorbeeld van een logisch geldige redenering:

Duchamp is vrijgezel, Vrijgezellen zijn niet getrouwd, Ergo: Duchamp is ongetrouwd.
Dat wisten we toch allang! Geen nieuws; we weten immers wat “vrijgezel” en “getrouwd” betekenen.[6] Maar pas op, dat is niet het hele verhaal! Op formele gronden, dus los van de gebruikte termen, is de stap van premissen naar conclusie logisch geldig.
Of met een pastiche op Poincaré en Duchamp: Een goede wiskundige is een goede schaker, Een goede schaker is een kunstenaar, Ergo: Een goede wiskundige is een kunstenaar.
Maar even valide is de volgende redenering:

Pousseypram is Quakky, Quakky is bluddlefilth, Ergo: Pousseypram is bluddlefilth.[7]

Zo, dat is ff schrikken. Maar wie A zegt, moet ook B zeggen. Ik bedoel, wie tautologie zegt, zegt ook contradictie. Contradictie is de logische tegenhanger van de tautologie. Het is een bewering die met zichzelf in tegenspraak is, in alle mogelijke werelden onwaar. Voorbeeld: Het regent én het regent niet. Deze bewering is absoluut onwaar, op voorhand, en ik weet nog steeds niet of het daadwerkelijk regent of niet.
Waarom willen we geen contradicties in de logica? Omdat uit een contradictie elke willekeurig ware, of onware uitspraak kan worden afgeleid. Bekend als het ex contradictione sequitur quod libet. Een dergelijke willekeur moet te allen tijde worden voorkomen, want we wilden immers dat in een redenering waarheid van boven naar beneden stroomt!  Daarom hebben we in de elementaire logica de volgende regel afgesproken, bekend als het principe van non-contradictie:

Niet: p en niet p.

We zien onmiddellijk dat dit principe de negatie is van de tautologie p of niet p. Contradictie en tautologie sluiten elkaar uit, althans in een tweewaardige logica, waarin een propositie óf waar óf onwaar is (dit is het zgn tertium non datur). Het is duidelijk: met de begrippen tautologie,
contradictie en logische (on)geldigheid is het contact met de empirische werkelijkheid verdwenen.[8] Het logisch symbolisme – een kunsttaal, gebaseerd op arbitraire afspraken en impliciete definities - is ongeschikt om betekenis, of kennis over te dragen, ons te informeren over de stand van zaken in de buitenwereld.
Het lijkt erop dat Duchamp dit model ook van toepassing acht op de natuurlijke taal, met zijn aristotelische subject-predikaatstruktuur. Ook hier propageert Duchamp een nominalistische semantiek die hij ontleent aan het Wiener Kreis positivisme en het conventionalisme van Poincaré.
Duchamp: The language and thinking in words are the great enemies of man (…)words are the tools of “to be”.[9]  En: (…) in the end it comes to doubt the verb “to be”.[10]
Ik vat samen: ons denken is ingebed in een talige struktuur waarin het zich moet uitdrukken. Maar onze taal is geen weerspiegeling van objecten met attributen in een buitentalige werkelijkheid. Het denken wordt misleid door de omgangstaal als het koppelwerkwoord “zijn”  begrepen wordt als een existentieclaim. Nominalisme betekent: woorden zijn namen, geen betekenisdragers. We worden misleid bij het gebruik van abstracte, algemene begrippen als we er van uitgaan dat ze verwijzen naar een objectief bestaan in de dingen. Het enige dat bestaat is deze unieke ditheid; de hypostase van een onderliggende essentie, een watheid, is ongeoorloofd.
Duchamp: (…) everything is tautology, except black coffee (…)[11]

Hiermee is het contact van het denken met de werkelijkheid verbroken. Anything goes![12]
We bevinden ons in een ontologisch vacuüm, een tautologisch plenum, een “intratextueel” web, waarin taaltekens naar niets anders verwijzen dan naar zichzelf.
Dit taalscepticisme leidt tot wat Duchamp bestempelt als “le nominalisme litéral”.[13] Binnen deze tak van sport bestaan er geen termen die eigenschappen uitdrukken, betekenisdragers zijn, of bijdragen tot enig begrip, laat staan kennis, van een externe wereld.
Duchamp over zijn gedicht THE: Betekenis was het eerste wat ik moest vermijden (…) totdat de tekst zich liet lezen zonder dat die een echo liet doorklinken van de buitenwereld.[14]
Het taalspel ”letterlijk nominalisme” is behept met alle problemen die een privétaal [of moeten we zelfs spreken van een non-taal, een patataal?] aankleven, zoals een pyrronistischobuust scepticisme of een solipsistisch anarchisme á la Stirner[15]. Duchamp is echter niet van plan hierbij de gebruikelijke logische principes te handhaven. De “playful logic” van Duchamps nominalisme is zijn strategie om te ontsnappen aan zowel het non-contradictieprincipe als het tertium non datur.[16]
En “tautologie” zal daarbij worden vervangen door “patatautologie”.




AUTOLOGIE EN PATATAFYSICA


1-      een term noemen we patatautologisch [Auto] wanneer deze een eigenschap uitdrukt die hij zelf heeft.
2-      Patatheterologisch [Hetero] heet een term die zichzelf niet als zodanig kenmerkt.

Zo is woord auto, want een woord; kort is auto, want een kort woord en lang is hetero, want eveneens kort. Auto is niet auto, maar zwart is auto en wit hetero; “       daarentegen is auto.
Zichtbaar, deelbaar, leesbaar, alle auto, maar eetbaar bijv. weer niet. Iedereen snapt onderhand wel dat elfletterig auto       is, maar zelfetterig aar elflettergrepig weer niet.

Resumé: de vier verstellingen:

Het elfletterig genootschap is een zelfvervuller
De zelfetterige vennootschap is een zelfvervuiler
Het elftellerig genootschap is een zelfvervuller
De felzetterige vennootschap is een verfverzuiler

Nu vragen wij ons af:
Gesteld dat een term óf auto, óf hetero is, is heterologisch zelf hetero, dan wel auto?

Stel dat heterologisch auto is dan zou het de eigenschap hebben die het zelf beschrijft: dus hetero zijn, in strijd met de aanname.
Dus moet heterologisch hetero zijn, dwz niet de eigenschap hebben die het zelf beschrijft: ergo auto zijn, opnieuw tegen de veronderstelling in.

We hebben hiermee voldaan het onder a] genoemde feit te plegen, de zgn

paradox van de patatautologie.

Let wel, een paradox is geen contradictie, maar zeker ook geen tautologie; het is een schijnbare tegenspraak, een zgn. Zelfvervuiler, en als zodanig nog onderworpen aan het principe van non-contradictie.
Duchamp was dol op paradoxen, mogelijk als uiting van zijn taalscepsis. Immers, in een paradox wordt de taal geweld aangedaan door te spelen met de regels van de semantiek.
In alle gevallen van zelfvervuiling (zoals we boven ook al zagen) kunnen we met eenvoudige middelen het verstand doen stilstaan. Een bekend voorbeeld is de leugenaarsparadox, toegeschreven aan Epimenides [600 v. Chr.] uit Kreta:

Κρτες ε ψεσται - Alle Kretenzers liegen.

Waar of niet waar? Als dit waar is, dan is het een leugen, dus onwaar. Maar als het onwaar is dat hier een leugen staat, is het waar dat alle Kretenzers liegen!

Duchamp heeft op deze paradox zijn eigen variaties; enkele voorbeelden:

I have forced myself to contradict myself.[17]

En:
Every word I’m telling you now is stupid and wrong.[18]

Of: De deur is open én niet open:

Porte,11RueLarrey

Tenslotte de vraag waar de Ready-made het antwoord op was.

Can one make works which are not works of ‘art’?[19]



[1] Duchamp.: All of these twaddles (…) are but pieces in a game of chess called language (…) As a good “nominalist”, I propose the word Patatautologies, which will, through frequent repetition, create the concept that I have tried to express by these execrable means: subject, verb, complement…etc. (citaat uit: A. Gervais: Connections - Of art and arrhe, in: Th. De Duve [1991]: The definitely unfinished Marcel Duchamp, p 409)

[2] Duchamp: By plagiarizing Jarry we can put “patArt” up against the current pomposity.(idem, p 404)

[3] Lees hierbij  … staat tot … als … staat tot …” voor:  “… / … = … / …”.
Zie mijn pHatHafysica - een batagnose over STELREGELS:
De kunst, om een verborgene waarheid, door middel van het stellen van aangenomen denkbeelden uit te vinden.

[4]Duchamp: Boîte de 1914. “Merdre” verbindt ”Arrhe” natuurlijk direkt aan Jarry.

[5] Gervais: idem, p 414

[6] Duchamp, ontwerper van het Grote Glas [met Bruid en Vrijgezellenmachine], wordt weleens verdacht van misogyne trekjes; dat heeft hij expliciet ontkend. Hij had niets tegen vrouwen, maar wel iets tegen het huwelijk; vandaar de proclamatie van het celibaat! ( vgl Ades e.a.[1991]: Marcel Duchamp,: p 59). Nochtans moet de machine célibataire  niet worden opgevat als een idealisering van sexuele onthouding. Integendeel, de interpretatie als een narcistische onaneermachine, sterker nog, als verbeelding van de solipsistische sexmachine / machinesex / “autistic intercourse” (L. Steefel jr.[1977]: The position of Duchamp’s Glass in the development of His Art, p 75) ligt eerder voor de hand. (zie: M. Carrouges [1954]: Les machines célibataires, die de vrijgezellenmachine typeert als een patamachine, als schakel in het produceren van eenzelvigheid en dood).
De aantijging van misogynie is helemaal misplaatst in het licht van een opmerking die Duchamp maakte tegen L. Steefel jr.:
“I want to grasp things with the mind the way the penis is grasped by the vagina”. (J. Seigel [1995]: The private worlds of Marchel Duchamp, p 152).  Klinkt allerminst vrouwonvriendelijk. Maar: THE way? Dat klinkt allesbehalve nominalistisch!
En wat stellen we ons bij DIE wijze voor? Volgens Seigel: “very loosly (…) sort of unstable connection”.
Is that all there is? Wat dacht u van een flinke penisklem? Suit yourself: Vagina dentata! Een beetje man kan niet zonder castratieangst. Hier geldt kennelijk de volgende “upsetting analogy”: Mind is toThings as Vagina is to Penis.
L’arrhetist, de genderbender, vat samen:  L’arrhe de la peinture est du genre feminin. [nb, l’art is mannelijk]
Niettemin lees ik het Grote Glas als een plaats delict, als locus solus ipsum waar de Bruid - In La Boite Verte ook omschreven als landbouwmachine! [Ik zie het al voor me: vrouwtjes gehangene met toebehoren : een diepwoeler, vaste tand cultivator, inclusief 11 woelsporen met brede beitel] - niet zozeer ontkleed, dan wel op de snijtafel wordt ontleed onder de dodelijke “male gaze” van patatholoog anatoom Duchamp.

[7] Vrij naar James Joyce, Finnegans Wake. N.B.: “The Large Glass stands to painting as Finnegans Wake stands to literature.” (C. Tomkins [1962]: The bride and the bachelors, p 28). De verwantschap tussen Joyce en Duchamp zou een grondig onderzoek waard zijn!

[8] Ludwig Wittgenstein: “A weiss dass p der Fall ist” ist sinnlos, wen p eine Tautologie ist. [Tractatus, 5.1362]
Ook: Die Kontradiktion ist die äussere Grenze der Sätze, die Tautologie ist substanzloser Mittelpunkt. [idem, 5.143]

[9] In: Seigel, idem, p 151

[10] In: Ades, idem, p. 61

[11] In: Pierre Cabanne [1971]: Dialogues, p 107. Verwijzing naar de classic van Ogden en Richards uit 1923, die als ondertitel heeft: a study of the influence of language upon thought and of the science of symbolism. (zie C. Tomkins [1962], p 32).
Ogden, linguïst en taalfilosoof, collega van Wittgenstein in Cambridge en supervisor van de engelse vertaling van de Tractatus, ontwikkelde in het spoor van Leibniz het “Basic English”, gestripte moedertaal, teneinde de menselijke communicatie te verbeteren. Met een vocabulair van slechts 850 woorden lukte het hem niettemin een fragment uit Finnegans Wake in Basic English te vertalen! Merk op dat Ogdens project van een universele taal gevoed wordt door dezelfde behoefte de omgangstaal te disambigueren als Duchamps plan voor een nieuw alfabet via de opsporing van zgn priemwoorden. (zie Sannouillet & Peterson [1950]: Salt Seller, p. 31-32).

[12] Provocatieve slogan van de wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend; zie zijn: Against Method (1975).

[13]  Nominalism [literal] = No more (…) distinction between words (tables is not the plural of table, ate has nothing in common with eat). (…) no more conceptual value of abstract words.  The word (…) takes on a form of plastic significance; it is a sensorial reality a plastic truth.  (…) The grouping of several words without significance, reduced to literal nominalism, is independent of the interpretation. (…) the 3 words drawn by X are different from the same 3 words drawn by Y.  (note # 185, geciteerd in Linda Dalrympe Henderson[1998]: Duchamp in context, p. 225).

[14] In: Pieter de Nijs [2018]: Striptease met chocola, kikkers en een thermo-mechanisch orkest, p 105.
En: Er is absoluut geen kans voor een woord om ooit iets uit te drukken. Zodra we beginnen onze gedachten in woorden en zinnen te gieten wordt alles vervormd. De taal is gewoon niet goed genoeg. Ik gebruik haar omdat ik moet, maar ik heb er geen vertrouwen in. (idem, p 118). Volgens Joselit heeft Duchamps nominalisme veel weg van een “simulated aphasia” (zie David Joselit [1998]: Infinite regress, p. 77).

[15] Zie bijvoorbeeld  H. Molderings [2002]:  Kunst als experiment, H8

[16]Duchamp: “(…) one ordinarily understands principle of contradiction to mean, exactly: principle of non contradiction. (…) thus understood (i.e. Co-understanding of Opposites) the principle of contradiction insists on the (…) immediate contrast  to the concept A, of its opposite, B (…) no longer A’s opposite, but different (the no. of B’s is infinite, analogous)
(…) the plans of a game which would no longer have rules. After having multiplied B to infinity the result eventually no longer validates the statement of A. (…) It liberates the word from definition, from the ideal meaning. (…) each word keeps a present meaning defined for the moment by fantasy (sometimes auditory);” (note # 185, geciteerd in idem).
[17] H.&S. Janis [1945]: Marcel Duchamp: Anti-Artist. Molderings spreekt in dit verband zelfs van: ”the anesthesia  of logical thought, the cretinization of reason”! In: De Duve [1991], p 257.

[18] Seigel, idem, p 151 En: I’m a pseudo, all in all; in: C. Tomkins [2013]: Marcel Duchamp - The afternoon interviews, p. 84

[19] Sannouillet & Peterson, p. 74 Het antwoord op deze vraag ligt besloten in Duchamps zgn “nominalisme pictural”  [idem, p. 78]: “Dit is kunst” is een arbitraire stipulatie van dit ding als kunst, geen wezenlijke bepaling van DIT als KUNST. “Kunst” drukt geen attribuut uit van een drager, heeft geen identiteit, is niet te definiëren! Zie ook De Duve [1984]: Nominalisme Pictural.